woensdag 22 juni 2011
5 onder 1 dak...Over basilicum en twee dingen tegelijk doen....
Over basilicum en twee dingen tegelijk doen.
Soms denk je even iets nuttigs te kunnen doen op een moment dat je kinderen ook thuis zijn.
Ervaring leert mij zo langzamerhand dat dat eigenlijk onmogelijk is.
Toch doe je als ouder altijd maar weer een poging.
Net als ezels met stenen.
Het eindigt altijd in ergernis of chaos.
Er was zo'n moment.
Ik had maar één kind bij huis en dat kind zat zoet te spelen.
Al een tijdje ook.
Dan kan er wel even wat achterstallige administratie worden bijgewerkt denk je dan. Computer aan, papieren erbij en een frons op je voorhoofd.
Je kind wandelt langs en praat.
Eigenlijk gaat het daar al mis.
Hij vertelt over Ninja's en vraagt in een volgende zin hoe ook alweer overmorgen heet. Maar dan voor gisteren.
Mijn frons wordt dieper en ik raak het spoor een beetje bijster.
In zowel de adminstratie als de gedachtenkronkels van mijn kind.
Ik toets wat cijfers in en krijg een ingeving.
Eergisteren roep ik blij.
"Ja, die bedoel ik, eergisteren"!
Het kind kijkt ook blij.
Er dwarrelen wat papieren op de grond.
Thijs, het kind in kwestie, vraagt wat hij eergisteren ook alweer voor het eerst had gegeten.
Mijn hoofd steekt net boven de rand van de tafel.
Ik zie hem wijzen naar een bloempot op het aanrecht.
"Basilicum Thijs".
"Basilicum"!
"Dank je mam", lacht Thijs.
Hij trekt wat blaadjes van de plant, steekt ze in zijn mond en loopt de tuin in.
Je moet veel basilicum eten wil je later een goede Ninja worden.
Ik zucht diep, geef het op en duw de papieren onafgewerkt in een map en neem een kop thee.
Blazend over de hete mok dwaalt mijn blik over het aanrecht.
Plotseling verschiet ik van kleur.....
De basilicum staat helemaal aan de andere kant, naast het fornuis.
Links staat een andere pot.
De pot van Thijs.
Een pot met Petunia's uit de tuin.
Even opzoeken of ze giftig zijn, die Petunia's.......
Inge Zwerver
vrijdag 10 juni 2011
Verjaardagsfeestje voor twee.....
Verjaardagsfeestje voor twee.....
Ik ga een ballon opblazen
en neem een taartje bij de thee
en aan blije dingen denken
even zijn we met z'n twee
Ik zal me zijn stem herinneren
en hoe hij rook en hoe hij was
en hoe hij bulderend kon lachen
en even ben ik in m'n sas
Ik zal me als zijn kind
verstoppen in zijn armen
even hoef ik nooit meer iets
en laat mij door hem verwarmen
Ik zal hem zien
als toen, als toen
en op het eind
krijgt hij een zoen
Dit is mijn kado voor hem
een moment van feest
want morgen is mijn vader jarig
zou hij jarig zijn geweest....
Inge Zwerver
(dit gedicht staat week 24 in de Libelle!)

Ik ga een ballon opblazen
en neem een taartje bij de thee
en aan blije dingen denken
even zijn we met z'n twee
Ik zal me zijn stem herinneren
en hoe hij rook en hoe hij was
en hoe hij bulderend kon lachen
en even ben ik in m'n sas
Ik zal me als zijn kind
verstoppen in zijn armen
even hoef ik nooit meer iets
en laat mij door hem verwarmen
Ik zal hem zien
als toen, als toen
en op het eind
krijgt hij een zoen
Dit is mijn kado voor hem
een moment van feest
want morgen is mijn vader jarig
zou hij jarig zijn geweest....
Inge Zwerver
(dit gedicht staat week 24 in de Libelle!)
zaterdag 4 juni 2011
De Galerie
De Galerie
Ik zag een man.
Niemand anders die hem zag.
Een man,
in rode trui.
Zwart, grijzend haar.
Een scheiding en een baard.
Gebogen over schappen.
In gedachten aan het werk.
Boodschappen in bruine tassen,
met flessen en potten.
Grote vertrouwde handen
en een grijze pantalon
Ik zag een appelboom.
Niemand anders die hem zag.
Achter in de tuin,
de sneeuwklokjes daaronder.
(De mensen in de galerie
bewonderden schilderijen
en we praatten met elkaar)
Toen zag ik weer die man.
Niemand anders die hem zag.
Ik hoorde treden kraken.
Van de trap naar zolder,
naar boven en weer terug.
En
voelde even
een aai over mijn haar.
En toen ik met de mensen praatte
(luisterde en knikte).
Zag ik een heel klein meisje,
in de kielzog van die man.
Een lange staart met elastiek
huppelend op haar rug.
Haar kleine knuistje
gevangen in zijn grote hand.
Niemand anders die hun zag.....
(terug in het ouderlijk huis, kruidenierswinkeltje Onderdendam, nu Galerie)
Ik zag een man.
Niemand anders die hem zag.
Een man,
in rode trui.
Zwart, grijzend haar.
Een scheiding en een baard.
Gebogen over schappen.
In gedachten aan het werk.
Boodschappen in bruine tassen,
met flessen en potten.
Grote vertrouwde handen
en een grijze pantalon
Ik zag een appelboom.
Niemand anders die hem zag.
Achter in de tuin,
de sneeuwklokjes daaronder.
(De mensen in de galerie
bewonderden schilderijen
en we praatten met elkaar)
Toen zag ik weer die man.
Niemand anders die hem zag.
Ik hoorde treden kraken.
Van de trap naar zolder,
naar boven en weer terug.
En
voelde even
een aai over mijn haar.
En toen ik met de mensen praatte
(luisterde en knikte).
Zag ik een heel klein meisje,
in de kielzog van die man.
Een lange staart met elastiek
huppelend op haar rug.
Haar kleine knuistje
gevangen in zijn grote hand.
Niemand anders die hun zag.....
(terug in het ouderlijk huis, kruidenierswinkeltje Onderdendam, nu Galerie)
donderdag 19 mei 2011
Onder de wieken slapen mensen.....
Onder de wieken slapen mensen......
Het is zomaar een vroege zaterdagochtend.
Mijn loopje naar de molen is zonnig en stil.
Het dorp is van vogels en mensen met honden.
Achter ramen zie ik anderen met ochtendkranten en mokken.
Het is een prettig loopje zo naar mijn werk.
Op zo'n ochtend als deze voelt de molen een beetje van mij.
Ik kom dan eigenlijk een beetje thuis.
Zo gauw de sleutel in het slot gaat beginnen vaste rituelen.
Vlag in de houder.
Krant uit de brievenbus en óp de stamtafel.
Lampen, radio en kaarsen aan.
Ik scharrel wat heen en weer met boter en borden.
Het vuur gaat aan voor eieren en ik pers een kan vol verse sinaasappelen.
Geuren van koffie en brood verspreiden zich door de molen en boven mijn hoofd hoor ik vloeren kraken.
En dan denk ik even: "Ze zijn wakker"
Het is altijd weer een nieuw begin als je de gasten ontmoet.
Ieder bezoek is anders.
Ieder mens is anders.
Iedere keer een nieuw verhaal.
Langzaam kwamen ze naar beneden.
Al wat op leeftijd.
Met z'n twee.
Ze stelden zich voor en keken wat onwennig, maar genietend om zich heen.
Ik bracht hun koffie en verder nog een hele tafel vol.
Ze zaten bij het raampje.
Recht tegenover elkaar.
Voorzichtig begon ik over hun zoon, die hun deze overnachting had geschonken.
De ogen van de oude moeder straalden me toe.
Ja.
Hun zoon.
Zo attent.
Zo fijn dat hij dit had bedacht ook.
Het feit dat hij had gezocht naar deze plek.
De moeder had de eerste dertien jaar van haar leven doorgebracht in een molen.
Ergens in Noord-Holland.
Midden tussen water en weilanden.
Ze vertelde van een tijd dat molenaars tevens rietdekkers waren en banenvegers in de winter.
Dat het vaak hele families waren en dat men onderling nog wel eens van molen ruilde.
Ze schetste mij de hongerwinter.
Dat ze boven in haar molen stond en keek naar het veld.
Dat daar een jongetje liep in vodden en lompen.
Vies en hongerig.
Zoekend in stroompjes water naar kleine visjes.
Dat ze naar het jongetje keek en dat hij terug keek naar haar.
Twee Hollandse kinderen.
Dat moment.
Ze was het nooit vergeten.
En van de lange rij hongerigen bij de molen van haar vader.
Kilometers gelopen vanuit druk bevolkte en verwoeste steden.
Met een gedeukt emaillen pannetje in hun magere handen.
Ze stonden te wachten op gevangen Stekelbaarsjes uit de vaart.
In hun monden gepropt zo gauw ze het kregen.
Zo weinig.
Zo'n honger.
Het pannetje overbodig in hun grauwe vingers geklemd.
De twee gasten staan voor de oude foto's in de molen.
Herinneringen komen boven.
Verhalen komen los.
Over geluiden van vogels.
Van stilte.
Als ze gaan schudden we elkaar de handen.
We kijken in elkaars ogen.
Ik ben geraakt door hun verhalen.
Uit een andere tijd.
Geraakt door hun samenzijn.
Door hun bezoek.
De man zegt : "we voelden ons familie, geen gasten".
Het is altijd weer een nieuw begin als je de gasten ontmoet.
Ieder bezoek is anders.
Ieder mens is anders.
Iedere keer een nieuw verhaal.
Het is zomaar een vroege zaterdagochtend.
Mijn loopje naar de molen is zonnig en stil.
Het dorp is van vogels en mensen met honden.
Achter ramen zie ik anderen met ochtendkranten en mokken.
Het is een prettig loopje zo naar mijn werk.
Op zo'n ochtend als deze voelt de molen een beetje van mij.
Ik kom dan eigenlijk een beetje thuis.
Zo gauw de sleutel in het slot gaat beginnen vaste rituelen.
Vlag in de houder.
Krant uit de brievenbus en óp de stamtafel.
Lampen, radio en kaarsen aan.
Ik scharrel wat heen en weer met boter en borden.
Het vuur gaat aan voor eieren en ik pers een kan vol verse sinaasappelen.
Geuren van koffie en brood verspreiden zich door de molen en boven mijn hoofd hoor ik vloeren kraken.
En dan denk ik even: "Ze zijn wakker"
Het is altijd weer een nieuw begin als je de gasten ontmoet.
Ieder bezoek is anders.
Ieder mens is anders.
Iedere keer een nieuw verhaal.
Langzaam kwamen ze naar beneden.
Al wat op leeftijd.
Met z'n twee.
Ze stelden zich voor en keken wat onwennig, maar genietend om zich heen.
Ik bracht hun koffie en verder nog een hele tafel vol.
Ze zaten bij het raampje.
Recht tegenover elkaar.
Voorzichtig begon ik over hun zoon, die hun deze overnachting had geschonken.
De ogen van de oude moeder straalden me toe.
Ja.
Hun zoon.
Zo attent.
Zo fijn dat hij dit had bedacht ook.
Het feit dat hij had gezocht naar deze plek.
De moeder had de eerste dertien jaar van haar leven doorgebracht in een molen.
Ergens in Noord-Holland.
Midden tussen water en weilanden.
Ze vertelde van een tijd dat molenaars tevens rietdekkers waren en banenvegers in de winter.
Dat het vaak hele families waren en dat men onderling nog wel eens van molen ruilde.
Ze schetste mij de hongerwinter.
Dat ze boven in haar molen stond en keek naar het veld.
Dat daar een jongetje liep in vodden en lompen.
Vies en hongerig.
Zoekend in stroompjes water naar kleine visjes.
Dat ze naar het jongetje keek en dat hij terug keek naar haar.
Twee Hollandse kinderen.
Dat moment.
Ze was het nooit vergeten.
En van de lange rij hongerigen bij de molen van haar vader.
Kilometers gelopen vanuit druk bevolkte en verwoeste steden.
Met een gedeukt emaillen pannetje in hun magere handen.
Ze stonden te wachten op gevangen Stekelbaarsjes uit de vaart.
In hun monden gepropt zo gauw ze het kregen.
Zo weinig.
Zo'n honger.
Het pannetje overbodig in hun grauwe vingers geklemd.
De twee gasten staan voor de oude foto's in de molen.
Herinneringen komen boven.
Verhalen komen los.
Over geluiden van vogels.
Van stilte.
Als ze gaan schudden we elkaar de handen.
We kijken in elkaars ogen.
Ik ben geraakt door hun verhalen.
Uit een andere tijd.
Geraakt door hun samenzijn.
Door hun bezoek.
De man zegt : "we voelden ons familie, geen gasten".
Het is altijd weer een nieuw begin als je de gasten ontmoet.
Ieder bezoek is anders.
Ieder mens is anders.
Iedere keer een nieuw verhaal.
dinsdag 5 april 2011
De kop van Jezus
De kop van Jezus
Ik vond het stel op een brocante markt in Frankrijk. Op zo’n heerlijke rommelmarkt waar je nog voor een prettig laag bedrag de mooiste serviezen, emaille of ander antiek kunt kopen. Zo uit de kast van een oude franse grootmoeder. De fransen maken van dit soort dagen echt een uitje. Vaak staan ze er met wel drie of vier generaties familie en zo tegen het middaguur verschijnen grote rookwolken boven de kraampjes en ruik je de geuren van een meegenomen barbecue. Heerlijk.
Daar, zomaar midden tussen de pannen en schalen vond ik ze. Maria en het kindje Jezus. Het kindje Jezus was helaas zonder hoofd. Maar de ogen van Maria keken mij weemoedig aan. Waarschijnlijk vroeg ze zich af waarom ze zo was verdwaald en tot haar grote vernedering was beland op een rommelmarkt. Voor haarzelf geen probleem, maar Jezus…..die verdiende beter.
Erg bijzonder waren ze niet. Niet voor een kenner. Gewoon gemaakt van wit kalksteen. Geen kleur of glans. En zonder hoofd. Maar daar in dat franse dorpje, midden op het plein, voelde ik me verbonden met deze moeder der moeders. We hadden een klik. Stiekem gaf ik haar een bemoedigende knipoog en vroeg in mijn beste Frans:’ Cinq euro’? ‘Oui, oui, lachte de fransman’. En zo reisden Maria en Jezus-zonder-hoofd met ons mee naar Onderdendam.
Inmiddels staan ze al wekenlang bij ons in de kamer. Ze hebben een mooie plaats op de schoorsteenmantel. Maria kijkt al een stuk gelukkiger. Ze zijn in ere hersteld. Al blijven we met het probleem zitten van het arme kindje Jezus, nog steeds zonder hoofd. Als er bezoek komt wordt er nog wel eens opmerking over gemaakt. ‘Het kindje heeft geen hoofd’ is een vaak gehoorde uitspraak. ‘Dat is waar’ knik ik dan maar. Voor mij maakt het echter niets uit, dat hoofd. Ik hou van dingen, van mensen, waar niet alles zo perfect aan is. Er mag van mij wel iets ontbreken. Gehavend door gebeurtenissen in het leven, gebutst of tegen aangestoten. Voor mij maakt dát iets of iemand juist uniek. Vandaar wellicht dat ik dit stel heb meegenomen en een ereplekje heb gegeven in mijn woonkamer.
Dat het kindje Jezus geen hoofdje heeft is ook mijn kinderen niet ontgaan. Een groot probleem maken ze er echter niet van. ‘Ách, Jezus heb geen kopje meer’ riep Floor en wees vol medelijden naar het beeld. Annemarijn maakt het eigenlijk niet uit en roept dat mama nu eenmaal houdt van oude dingen van vroeger. Thijs hoorde ik er helemaal niet over, volgens mij maakte het beeld weinig indruk op hem. Dat dit niet zo was bleek wel deze week.
De kinderen zaten heerlijk te knutselen op hun vrije middag. Samen aan de grote witte tafel in de kamer. De tafel bezaait met papier, potloden, scharen en stickers. Een zacht klassiek muziekje op de achtergrond en zo nu en dan werd een woord gesproken bij het uitwisselen van een bepaalde kleur stift. Vrede in huize Zwerver. Ze zijn er best wel, deze momenten. Alles was goed.
Plotseling hoorde ik Thijs roepen: ‘Jezus heb weer een kop, Jezus heb weer een kop’!!! Geschrokken rende ik naar de kamer, onderweg vrezend voor een wonder. Vrezend inderdaad, want ik moest direct denken aan van die rode-tranen-huilende-Maria-beelden. Dat is al een wonder waar de mensen en de media op af komen in grote getale. Maar wat zal er gebeuren met een beeld waarvan het kindje Jezus weer op onverklaarbare wijze een hoofd heeft gekregen? In dat korte moment, hollend van keuken naar kamer, zag ik autobussen vol pelgrim gangers op de Bedumerweg. Reikend tot aan Bedum, nee erger, Zuidwolde! Ik zag verkeersregelaars, Heiligverklaringen door beroemde bisschoppen in mijn kamer en een cameraploeg van SBS6 op de oprit van ons huis. Hier heb ik toch echt geen zin in! Ik zond, al rennend, een schietgebedje omhoog. Geen wonderen in mijn huis alstublieft.
De kamer ingekomen vertraagde ik mijn gang en bewoog wat nerveus richting schoorsteenmantel. Daar stond mijn Thijseman. Zijn ogen stralend. Ik zag een hemelse gloed op zijn gezichtje. Zijn vingertje wees vol blijheid richting het beeld. Het enige wat nog ontbrak was een aureool om zijn hoofd. Voorzichtig wierp ik een blik op Maria, ze glimlachte naar me. Werkelijk. Toen durfde ik het aan, bemoedigd door die glimlach en de blijheid van mijn Thijs. Daar was Jezus. Op zijn lijfje prijkte een velletje slordig uitgeknipt tekenpapiertje. Rond en versierd met enkele stippen en een streepje. ‘Kijk mam, dát is zijn hoofdje’. ‘Daar zijn z’n oogjes en hij heb een neusje, hij heb weer haren en een mond’. ‘Nú heb Jezus weer een kop’!
Ik nam de stralende Thijs in mijn armen. We knuffelden flink. Boven zijn hoofdje knikte ik even dankbaar naar Maria met háár kind. Mét kop!
Ik vond het stel op een brocante markt in Frankrijk. Op zo’n heerlijke rommelmarkt waar je nog voor een prettig laag bedrag de mooiste serviezen, emaille of ander antiek kunt kopen. Zo uit de kast van een oude franse grootmoeder. De fransen maken van dit soort dagen echt een uitje. Vaak staan ze er met wel drie of vier generaties familie en zo tegen het middaguur verschijnen grote rookwolken boven de kraampjes en ruik je de geuren van een meegenomen barbecue. Heerlijk.
Daar, zomaar midden tussen de pannen en schalen vond ik ze. Maria en het kindje Jezus. Het kindje Jezus was helaas zonder hoofd. Maar de ogen van Maria keken mij weemoedig aan. Waarschijnlijk vroeg ze zich af waarom ze zo was verdwaald en tot haar grote vernedering was beland op een rommelmarkt. Voor haarzelf geen probleem, maar Jezus…..die verdiende beter.
Erg bijzonder waren ze niet. Niet voor een kenner. Gewoon gemaakt van wit kalksteen. Geen kleur of glans. En zonder hoofd. Maar daar in dat franse dorpje, midden op het plein, voelde ik me verbonden met deze moeder der moeders. We hadden een klik. Stiekem gaf ik haar een bemoedigende knipoog en vroeg in mijn beste Frans:’ Cinq euro’? ‘Oui, oui, lachte de fransman’. En zo reisden Maria en Jezus-zonder-hoofd met ons mee naar Onderdendam.
Inmiddels staan ze al wekenlang bij ons in de kamer. Ze hebben een mooie plaats op de schoorsteenmantel. Maria kijkt al een stuk gelukkiger. Ze zijn in ere hersteld. Al blijven we met het probleem zitten van het arme kindje Jezus, nog steeds zonder hoofd. Als er bezoek komt wordt er nog wel eens opmerking over gemaakt. ‘Het kindje heeft geen hoofd’ is een vaak gehoorde uitspraak. ‘Dat is waar’ knik ik dan maar. Voor mij maakt het echter niets uit, dat hoofd. Ik hou van dingen, van mensen, waar niet alles zo perfect aan is. Er mag van mij wel iets ontbreken. Gehavend door gebeurtenissen in het leven, gebutst of tegen aangestoten. Voor mij maakt dát iets of iemand juist uniek. Vandaar wellicht dat ik dit stel heb meegenomen en een ereplekje heb gegeven in mijn woonkamer.
Dat het kindje Jezus geen hoofdje heeft is ook mijn kinderen niet ontgaan. Een groot probleem maken ze er echter niet van. ‘Ách, Jezus heb geen kopje meer’ riep Floor en wees vol medelijden naar het beeld. Annemarijn maakt het eigenlijk niet uit en roept dat mama nu eenmaal houdt van oude dingen van vroeger. Thijs hoorde ik er helemaal niet over, volgens mij maakte het beeld weinig indruk op hem. Dat dit niet zo was bleek wel deze week.
De kinderen zaten heerlijk te knutselen op hun vrije middag. Samen aan de grote witte tafel in de kamer. De tafel bezaait met papier, potloden, scharen en stickers. Een zacht klassiek muziekje op de achtergrond en zo nu en dan werd een woord gesproken bij het uitwisselen van een bepaalde kleur stift. Vrede in huize Zwerver. Ze zijn er best wel, deze momenten. Alles was goed.
Plotseling hoorde ik Thijs roepen: ‘Jezus heb weer een kop, Jezus heb weer een kop’!!! Geschrokken rende ik naar de kamer, onderweg vrezend voor een wonder. Vrezend inderdaad, want ik moest direct denken aan van die rode-tranen-huilende-Maria-beelden. Dat is al een wonder waar de mensen en de media op af komen in grote getale. Maar wat zal er gebeuren met een beeld waarvan het kindje Jezus weer op onverklaarbare wijze een hoofd heeft gekregen? In dat korte moment, hollend van keuken naar kamer, zag ik autobussen vol pelgrim gangers op de Bedumerweg. Reikend tot aan Bedum, nee erger, Zuidwolde! Ik zag verkeersregelaars, Heiligverklaringen door beroemde bisschoppen in mijn kamer en een cameraploeg van SBS6 op de oprit van ons huis. Hier heb ik toch echt geen zin in! Ik zond, al rennend, een schietgebedje omhoog. Geen wonderen in mijn huis alstublieft.
De kamer ingekomen vertraagde ik mijn gang en bewoog wat nerveus richting schoorsteenmantel. Daar stond mijn Thijseman. Zijn ogen stralend. Ik zag een hemelse gloed op zijn gezichtje. Zijn vingertje wees vol blijheid richting het beeld. Het enige wat nog ontbrak was een aureool om zijn hoofd. Voorzichtig wierp ik een blik op Maria, ze glimlachte naar me. Werkelijk. Toen durfde ik het aan, bemoedigd door die glimlach en de blijheid van mijn Thijs. Daar was Jezus. Op zijn lijfje prijkte een velletje slordig uitgeknipt tekenpapiertje. Rond en versierd met enkele stippen en een streepje. ‘Kijk mam, dát is zijn hoofdje’. ‘Daar zijn z’n oogjes en hij heb een neusje, hij heb weer haren en een mond’. ‘Nú heb Jezus weer een kop’!
Ik nam de stralende Thijs in mijn armen. We knuffelden flink. Boven zijn hoofdje knikte ik even dankbaar naar Maria met háár kind. Mét kop!
woensdag 16 maart 2011
Tweeling!
Vanaf het moment dat de tweeling groeide in mijn buik, was er Het Grote Verschil.
Lag de één heerlijk rond genesteld aan de linkerzijde van mijn lichaam, rustig dobberend, waarschijnlijk zuigend op haar duim, te genieten van de warmte van het vruchtwater en de gedempte geluiden welke zo nu en dan door mijn buikwand filterden.
De ander schopte en draaide dat het een lieve lust was.
Eruit, schreeuwde dit kind met zijn voetjes.
Baande zich een weg langs mijn organen met zijn ellebogen.
Waar is hier de uitgang!
Eenmaal ter wereld werd deze tendens voortgezet.
De kleine Floor lag met grote ogen, rustig de wereld in haar op te nemen.
Ze wachtte keurig op de vele flessen melk en lachte lieve lachjes naar de zon en naar haar moeder.
Een beetje pech bleek ze wel te hebben.
Haar intentie om haar levensreis rustig te beginnen, werd ruw verstoord door haar tweelingbroer.
Thijs.
Thijs kon huilen.
Niet een beetje, maar veel.
En boos was hij ook.
Boos als hij moest slapen en boos als hij niet kón slapen.
Ik zie mezelf nog gaan.
Op mijn tenen door de tuin in Stitswerd.
Twee baby's in de kinderwagen.
Zonnestralen gedempt door gazen doeken.
Amper een voet in huis gezet of er klonk alweer gebrul.
Vermoeid sleepte ik mij terug.
Vier oogjes gluurden boven lakentjes naar hun moedeloze moeder.
Twee hele boze en twee hele verbaasde.
U mag raden hoe het zat.
Thijs heeft altijd snel willen gaan.
Floor neemt de tijd.
Al die zes jaren van hun korte leventje heb ik weinig tweelingachtigs kunnen ontdekken aan dit stel.
Ik betrap mij er deze hele periode regelmatig op, dat als een ander het woord tweeling gebruikt en daarmee mijn twee jongsten bedoeld, mijn hart een ongelofelijk sprongetje maakt.
Ik zou het bijna zijn vergeten!
Zijn er dan geheel geen gelijkenissen zie ik u zichzelf afvragen.
Geen bijzondere gevallen waar we toch allemaal zo graag over mogen lezen?
Onverklaarbare gebeurtenissen?
Telepathie?
Toch wel.
Onlangs hadden we er één te pakken.
Werkelijk.
Een gebeurtenis om op te schrijven.
Om te blijven vertellen.
Al was het alleen al om hunzelf te blijven herinneren aan de speciale periode dat ze samen groeiden en ter wereld kwamen.
Het was op een nacht.
Rond een donker uurtje of twee.
Ik hoorde wat gestommel boven aan de trap en vond daar mijn zoon. Verwarde haren rond zijn slaperige hoofd, een scheefgezakte pyjama- broek en in zijn armen een grauw verwassen doekedoek.
"Ik heb zo naar gedroomd mama".
"Ik droomde dat ik in het water viel en ging verdrinken".
"Gelukkig kwam jij mama en hebt me gered"!
Ik knuffelde mijn ventje en stopte hem met enkele aaien over zijn bolletje weer in zijn bed.
Ongeveer anderhalf uur later.
Wéér geluiden op de overloop.
Daar is Floor.
Blonde haren pieken rond haar rode wangen.
Haar nachtpon dwarreld veel te groot langs haar prachtig lijfje.
Haar eeuwige duim in de mond.
"Ik heb zo naar gedroomd mama".
"Ik droomde dat Thijs in het water was gevallen, maar gelukkig haalde jij hem er weer uit".
Ik schrok.
Wakker.
Midden in de nacht.
Een zeer bijzondere tweeling moment.
Mijn hart sloeg over.
En even was het alsof ze weer samen in mijn buik zaten.
Dit moest worden opgeschreven.
Vastgelegd.
Bij dezen.....
Lag de één heerlijk rond genesteld aan de linkerzijde van mijn lichaam, rustig dobberend, waarschijnlijk zuigend op haar duim, te genieten van de warmte van het vruchtwater en de gedempte geluiden welke zo nu en dan door mijn buikwand filterden.
De ander schopte en draaide dat het een lieve lust was.
Eruit, schreeuwde dit kind met zijn voetjes.
Baande zich een weg langs mijn organen met zijn ellebogen.
Waar is hier de uitgang!
Eenmaal ter wereld werd deze tendens voortgezet.
De kleine Floor lag met grote ogen, rustig de wereld in haar op te nemen.
Ze wachtte keurig op de vele flessen melk en lachte lieve lachjes naar de zon en naar haar moeder.
Een beetje pech bleek ze wel te hebben.
Haar intentie om haar levensreis rustig te beginnen, werd ruw verstoord door haar tweelingbroer.
Thijs.
Thijs kon huilen.
Niet een beetje, maar veel.
En boos was hij ook.
Boos als hij moest slapen en boos als hij niet kón slapen.
Ik zie mezelf nog gaan.
Op mijn tenen door de tuin in Stitswerd.
Twee baby's in de kinderwagen.
Zonnestralen gedempt door gazen doeken.
Amper een voet in huis gezet of er klonk alweer gebrul.
Vermoeid sleepte ik mij terug.
Vier oogjes gluurden boven lakentjes naar hun moedeloze moeder.
Twee hele boze en twee hele verbaasde.
U mag raden hoe het zat.
Thijs heeft altijd snel willen gaan.
Floor neemt de tijd.
Al die zes jaren van hun korte leventje heb ik weinig tweelingachtigs kunnen ontdekken aan dit stel.
Ik betrap mij er deze hele periode regelmatig op, dat als een ander het woord tweeling gebruikt en daarmee mijn twee jongsten bedoeld, mijn hart een ongelofelijk sprongetje maakt.
Ik zou het bijna zijn vergeten!
Zijn er dan geheel geen gelijkenissen zie ik u zichzelf afvragen.
Geen bijzondere gevallen waar we toch allemaal zo graag over mogen lezen?
Onverklaarbare gebeurtenissen?
Telepathie?
Toch wel.
Onlangs hadden we er één te pakken.
Werkelijk.
Een gebeurtenis om op te schrijven.
Om te blijven vertellen.
Al was het alleen al om hunzelf te blijven herinneren aan de speciale periode dat ze samen groeiden en ter wereld kwamen.
Het was op een nacht.
Rond een donker uurtje of twee.
Ik hoorde wat gestommel boven aan de trap en vond daar mijn zoon. Verwarde haren rond zijn slaperige hoofd, een scheefgezakte pyjama- broek en in zijn armen een grauw verwassen doekedoek.
"Ik heb zo naar gedroomd mama".
"Ik droomde dat ik in het water viel en ging verdrinken".
"Gelukkig kwam jij mama en hebt me gered"!
Ik knuffelde mijn ventje en stopte hem met enkele aaien over zijn bolletje weer in zijn bed.
Ongeveer anderhalf uur later.
Wéér geluiden op de overloop.
Daar is Floor.
Blonde haren pieken rond haar rode wangen.
Haar nachtpon dwarreld veel te groot langs haar prachtig lijfje.
Haar eeuwige duim in de mond.
"Ik heb zo naar gedroomd mama".
"Ik droomde dat Thijs in het water was gevallen, maar gelukkig haalde jij hem er weer uit".
Ik schrok.
Wakker.
Midden in de nacht.
Een zeer bijzondere tweeling moment.
Mijn hart sloeg over.
En even was het alsof ze weer samen in mijn buik zaten.
Dit moest worden opgeschreven.
Vastgelegd.
Bij dezen.....
Abonneren op:
Posts (Atom)



